VirginiaChild Custody Law

Section(s):
VA. CODE ANN. § 20-124.2; 20-124.3

A. In elke zaak waarin het gezag over of de omgang met minderjarige kinderen in het geding is, hetzij voor een rechtbank, hetzij voor een arrondissementsrechtbank, moet de rechtbank, na afweging van alle feiten, onmiddellijk uitspraak doen over de regelingen betreffende het gezag over en de omgang met de kinderen, met inbegrip van de kosten van levensonderhoud en ondersteuning van de kinderen, voordat andere overwegingen in de zaak aan de orde komen. De rechtbank kan een beschikking geven hangende de rechtszaak zoals bepaald in § 20-103. De procedures voor het bepalen van de voogdij- en bezoekregelingen moeten, voor zover praktisch uitvoerbaar en in overeenstemming met de doeleinden van de rechtspleging, de waardigheid en de middelen van de familieleden in stand houden. Zo nodig wordt bemiddeling als alternatief voor een rechtszaak gebruikt. Wanneer bemiddeling wordt gebruikt in zaken betreffende voogdij en bezoek, kan het doel onder meer zijn een voorstel uit te werken over de woon- en zorgregeling voor het kind en over de wijze waarop geschillen tussen de ouders in de toekomst zullen worden behandeld.B. Bij het bepalen van de voogdij houdt de rechterlijke instantie in de eerste plaats rekening met het belang van het kind. De rechter verzekert de minderjarige kinderen van regelmatig en voortdurend contact met beide ouders, wanneer dit passend is, en moedigt de ouders aan de verantwoordelijkheden voor de opvoeding van hun kinderen te delen. Tussen de ouders zal er geen vermoeden of gevolgtrekking ten gunste van een van beide ouders zijn. De rechter dient naar behoren rekening te houden met de voorrang van de ouder-kindrelatie, maar kan, wanneer duidelijk en overtuigend wordt aangetoond dat het belang van het kind daarmee is gediend, het gezag of de omgang toekennen aan iedere andere persoon met een legitiem belang. Het gerecht kan gezamenlijk gezag of alleenrecht toekennen.B1. In elke zaak of procedure betreffende het gezag over of de omgang met een kind kan de rechtbank, naar eigen goeddunken, de term “ouderschapstijd” gebruiken als synoniem voor de term “omgang”. C. De rechtbank kan gelasten dat voor elk kind van de partijen alimentatie wordt betaald. Op verzoek van een van beide partijen kan de rechtbank gelasten dat deze alimentatiebetalingen worden overgemaakt naar een “special needs trust” of een “ABLE savings trust account” zoals gedefinieerd in § 23.1-700. Het gerecht zal ook bevelen dat alimentatie betaald zal blijven worden voor ieder kind ouder dan 18 jaar dat (i) voltijds studeert aan de middelbare school, (ii) niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien, en (iii) in het huis woont van de partij die kinderalimentatie vraagt of ontvangt totdat het kind 19 jaar wordt of slaagt voor de middelbare school, afhankelijk van wat zich het eerst voordoet. De rechterlijke instantie kan ook bevelen dat alimentatie wordt betaald of verder wordt betaald voor ieder kind ouder dan 18 jaar dat (a) ernstig en blijvend geestelijk of lichamelijk gehandicapt is, en die handicap al bestond voordat het kind 18 jaar werd, of de leeftijd van 19 jaar indien het kind voldeed aan de vereisten onder (i), (ii), en (iii); (b) niet in staat is zelfstandig te leven en in zijn levensonderhoud te voorzien; en (c) in het huis woont van de alimentatie vragende of ontvangende ouder. Bovendien kan het gerecht een bepaling of overeenkomst van de partijen bekrachtigen waardoor een onderhoudsplicht wordt verlengd tot na het tijdstip waarop deze anders, zoals in de wet is bepaald, zou eindigen. Het gerecht is niet bevoegd te bepalen dat de kinderen door de nalatenschap van een overleden partij worden onderhouden. D. In elke zaak waarin de voogdij of het bezoekrecht over minderjarige kinderen in het geding is, hetzij in een rechtbank, hetzij in een arrondissementsrechtbank, kan de rechtbank een onafhankelijke geestelijke of psychologische evaluatie gelasten om de rechtbank te helpen bij het bepalen van het belang van het kind. De rechtbank kan een beschikking geven die zij passend acht voor de betaling van de kosten van de evaluatie door de partijen.E. De rechtbank heeft de voortdurende bevoegdheid en jurisdictie om alle aanvullende beschikkingen uit te vaardigen die nodig zijn om een beschikking uit te voeren en te handhaven die uitgevaardigd is uit hoofde van deze afdeling of § 20-103, met inbegrip van de bevoegdheid om elk opzettelijk verzuim van een partij om zich te houden aan de bepalingen van de beschikking te bestraffen als minachting van de rechtbank. Een ouder of een andere persoon die de wettelijke voogdij over een kind heeft, kan de rechtbank verzoeken om een ouder van het kind te verbieden een verzoek in te dienen betreffende de voogdij en het bezoekrecht over dat kind, en de rechtbank kan een bevel uitvaardigen om een ouder van het kind te verbieden een verzoek in te dienen betreffende de voogdij en het bezoekrecht over dat kind, voor een periode van maximaal 10 jaar, indien dit in het belang van het kind is en die ouder veroordeeld is voor een strafbaar feit krachtens de wetten van het Gemenebest of een in wezen gelijksoortige wet van een andere staat, de Verenigde Staten of een buitenlands rechtsgebied, dat (i) moord of vrijwillige doodslag vormt of een poging tot, samenzwering tot of aansporing tot het plegen van een dergelijk misdrijf, indien het slachtoffer van het misdrijf een kind van de ouder was, een kind bij wie de ouder inwoonde op het moment dat het misdrijf plaatsvond, of de andere ouder van het kind, of (ii) aanranding met ernstig lichamelijk letsel tot gevolg, verwonding met ernstig lichamelijk letsel tot gevolg, of aanranding met seksuele misdrijven, indien het slachtoffer van het misdrijf een kind van de ouder was of een kind bij wie de ouder inwoonde ten tijde van het misdrijf. Wanneer een dergelijk verzoek wordt ingediend om de indiening van een verzoek tot voogdij en bezoekrecht te beletten, moet de rechtbank een voogd ad litem voor het kind aanstellen overeenkomstig § 16.1-266.F. In elke voogdij- of bezoekrechtzaak of -procedure waarin op grond van deze afdeling of § 20-103 een beschikking wordt gegeven die een partij verbiedt het kind van school op te halen, moet de rechtbank een partij in die zaak of procedure opdragen een kopie van die voogdij- of bezoekrechtbeschikking te verstrekken aan de school waar het kind is ingeschreven, binnen drie werkdagen nadat die partij die voogdij- of bezoekrechtbeschikking heeft ontvangen.Indien een voogdijbeslissing gevolgen heeft voor de inschrijving van het kind op de school waarop de voogdijbeslissing betrekking heeft en een partij verbiedt het kind van school af te halen, gelast de rechter een partij binnen drie werkdagen na ontvangst van de beslissing een afschrift van de voogdijbeslissing te verstrekken aan de school waar het kind zal worden ingeschreven. Een dergelijke beschikking waarbij een partij wordt gelast een kopie van een dergelijke voogdij- of bezoekregeling over te leggen, verplicht die partij voorts om bij elke latere wijziging van de inschrijving van het kind op school een kopie van die voogdij- of bezoekregeling over te leggen aan de nieuwe school waar het kind vervolgens binnen drie werkdagen na die inschrijving wordt ingeschreven.Indien het gerecht bepaalt dat een partij niet in staat is om de voogdij- of bezoekregeling aan de school te overhandigen, moet die partij het gerecht de naam van de directeur en het adres van de school meedelen en zal het gerecht ervoor zorgen dat de regeling per eerste klas post aan de directeur van de school wordt toegezonden.Bij het bepalen van het belang van een kind voor het bepalen van voogdij- of bezoekregelingen, met inbegrip van voorwaardelijke beslissingen overeenkomstig § 20-103, moet de rechtbank het volgende in overweging nemen:1. De leeftijd en de lichamelijke en geestelijke toestand van het kind, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de veranderende ontwikkelingsbehoeften van het kind;2. De leeftijd en de lichamelijke en geestelijke toestand van elke ouder;3. De relatie die tussen elke ouder en elk van de ouders bestaat 3. De relatie tussen elke ouder en elk kind, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de positieve betrokkenheid bij het leven van het kind, het vermogen om de emotionele, intellectuele en lichamelijke behoeften van het kind nauwkeurig te beoordelen en daarin te voorzien;4. De behoeften van het kind, waarbij terdege rekening wordt gehouden met andere belangrijke relaties van het kind, met inbegrip van maar niet beperkt tot broers en zussen, leeftijdsgenoten en uitgebreide familieleden;5. De rol die elke ouder heeft gespeeld en heeft vervuld in de ontwikkeling van het kind, met inbegrip van maar niet beperkt tot de ontwikkeling van het kind De rol die elke ouder heeft gespeeld en in de toekomst zal spelen in de opvoeding en verzorging van het kind;6. 6. De neiging van elke ouder om het contact en de relatie van het kind met de andere ouder actief te ondersteunen, met inbegrip van de vraag of een ouder de andere ouder op onredelijke wijze de toegang tot of het bezoek van het kind heeft ontzegd;7. De relatieve bereidheid en het aangetoonde vermogen van elke ouder om het kind te bezoeken 7. De relatieve bereidheid en het aangetoonde vermogen van elke ouder om een nauwe en duurzame relatie met het kind te onderhouden, en het vermogen van elke ouder om mee te werken aan en geschillen op te lossen over zaken die het kind betreffen 8. De redelijke voorkeur van het kind, indien het gerecht oordeelt dat het kind beschikt over een redelijke intelligentie, begrip, leeftijd en ervaring om een dergelijke voorkeur uit te spreken;9. Het feit dat het kind een relatie met het kind heeft 9. Een voorgeschiedenis van mishandeling binnen het gezin, zoals die term wordt gedefinieerd in § 16.1-228, of seksueel misbruik. Indien de rechtbank een dergelijk verleden vaststelt, kan de rechtbank de factoren in onderafdeling 6 buiten beschouwing laten; en10. De rechter deelt de partijen mondeling of schriftelijk de grondslag van zijn beslissing mede. Behalve in gevallen van instemmingsbeslissingen over voogdij en bezoekrecht, bevat deze mededeling de bevindingen van de rechter met betrekking tot de in deze afdeling vermelde relevante factoren.1994, c. 769; 1999, c. 634; 2000, c. 466; 2004, c. 221; 2009, c. 684; 2012, c. 358.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.